| |
 |
 gedicht: liedje
Taal/Gedicht | frans bastiaanse
|
03 Januari 2007 | 16:45:31
 |
LIEDJE....
Ik zou niet graag
Alleen, vandaag,
Door hoven gaan van love'ren schoone,
Als ik niet kon
De lucht, de zon
En waar zij óp schijnt, aan u toonen.
Hoe licht de schijn
Der zonne rein
Langs 's werelds eeuw'ge kleurenweelde!
Maar wat zou mij
Dit hooggetij
Der schoonheid zijn, zoo gij 't niet deelde?
Want uw gelaat
In schoonheid gaat
Der wereld schoon zóó zeer te boven,
Waar dat niet is
Blijft droefenis
Op 't blauw der lucht, op 't groen der hoven. |
|
|
 |
 |
 gedicht: DIEN EENEN....
Taal/Gedicht | frans bastiaanse
|
03 Januari 2007 | 16:44:25
 |
DIEN EENEN....
"Ik zou dien Eénen willen zien
Aan wien ik denk altijd,
Als ik hem zag vandaag, misschien
Was ik mijn vreugde kwijt;
Maar ook--wie weet--misschien mijn leed,
Want, dít is mij zoo vreemd:
Ik weet niet wat hij geeft, ik weet
Niet wat hij van mij neemt.
Ik weet niet wat hij met mij doet,
Ik weet alleen maar dat
Ik hem nog ééns iets zeggen moet,
Maar niet wanneer of wát.
Want altijd als ik spreken wil
Dan bonst mij in de keel
Mijn hart alsof het breken wil
En zegt: "gij zegt te veel."
En altijd als ik zwijgen wil
Dan zegt mijn hart in mij:
"Spreek nu, want zwijgt ge nú nog stil,
Dan gaat het uur voorbij."
Zoo komt er nooit iets uit mijn mond,
Dat spreekt als ik het meen,
En vind ik wat ik straks niet vond...
Dan ben ik weer alleen." |
|
|
 |
 gedicht: ten aanvang
Taal/Gedicht | frans bastiaanse
|
10 December 2006 | 13:02:44
 |
TEN AANVANG.
De lucht was vol van zilverglansen,
Vol roode tulpen 't groenend gras;
De aloude dom liet vroolijk dansen
Zijn klokken, daar 't de Meimaand was.
En waar ik ieder blad zag groenen,
Ontbloeid der bloemen blij gezicht,
En later achter de plantsoenen
Met elken dag het avondlicht;
De stad met feestlijke geluiden,
De vogels in de' ontloken boom,
Doortoog, als in het wit der bruiden,
Mijn ziel haar schoonste levensdroom.
En drinkend met de zaal'ge zinnen
Des levens reinste en hoogste vreugd,
Trad ik het schoone leven binnen:
Het wereldsch paradijs der jeugd. |
|
|
 |
 gedicht: een levend beeld
Taal/Gedicht | frans bastiaanse
|
08 December 2006 | 10:58:47
 |
EEN LEVEND BEELD...
Een levend beeld is nu verrezen
En vult mij gansch met klaarder pracht
Dan ooit de droom een wereldsch wezen
't Verlangend hart te binnen bracht.
Ik zie de glorie van twee oogen
Mij voorgaan, waar mijn voet ook treed',
En 't hart, als nooit voorheen bewogen,
Al wat het eens bewoog, vergeet.
En allen--O! ik kon mijn armen
Om heel de wereld henenslaan,
Want in mijn ziel is een erbarmen
Met al wat leeft, in bloei gegaan,
Behoefte om ieder troost te geven,
Die thans nog in zijn duister schreit,
Te zeggen: zie, vertrouw op 't Leven
Ook U is de ure straks bereid. |
|
|
 |
 gedicht: ochtend
Taal/Gedicht | frans bastiaanse
|
08 December 2006 | 10:57:20
 |
OCHTEND
Tusschen weien groen en welig
Staan geboomten vroeg ontbloeid,
Blanke dropp'len op 't fluweelig
Gras zijn, met den dag, ontgloeid;
Zachter gaan hier menscheschreden
Als in een betooverd Eden,
Waar voor de' allereerste maal
Langs de bladeren komt gegleden
Daagraads klare morgenstraal.
Door der boomen breede kronen
Gaat de wind met zachten gang,
En de vogels die er wonen
Maken een verliefd gezang;
Eén, met luider orglen wil er
Anderen, die, met zwak getriller
Sjirpen naar het bekje staat,
Overstemmen, maar wordt stiller
Als mijn nade'ring zich verraadt.
Zie nú, waar de blanke plassen
Spiegelen der wolken tocht,
Tusschen paarse heigewassen
Wolfsklauw, die naar water zocht,--
Waar het zilverwitte berkje
--Voor de spits van 't verre kerkje--
Staat op 't neevlig blauw geheeld
Zweeft op zijn citroengeel vlerkje
Vlinder, die met vlinder speelt.
O! de groote bloeiende aarde,
O! de hemel blauw en goud,
Wist ik wat zij mij bewaarde,
Wát zij mij verborgen houdt!
Wist ik, dat na lange nachten
Mijn verlangende gedachten
Eénmaal vonden 't heerlijk schoon,
Dat van heel der aarde pracht, en
Hemel dragen zal de króón. |
|
|
 |
 gedicht: opdracht
Taal/Gedicht | frans bastiaanse
|
30 November 2006 | 20:56:15
 |
OPDRACHT
Gij, die als een stille nachtvlam
Voor mijn venster hebt gebrand,
Toen de diepe diepe nacht kwam
Over 't donker levensland;
Gij die als een hand waart, wenkend
Toen mijn voet naar de afgrond gleed,
Wie ik was altijd gedenkend
Met een glimlach door mijn leed;
Wie ik, eens zoo trotsch, beloofd heb
Dat mij 't Leven heffen zou
Schoon 't van alles mij beroofd hebb'--
Voor U, wondervolle vrouw,
Zijn mijn verzen, neergeschreven
Bitter soms, maar schoon en waar,
En gij vindt er weergegeven
Wat er menig menig jaar
Bleef aan wanhoop en verlangen
In mijn ziel--zoo néém ze nu
Als een verren groet, mijn zangen,
Zoo ze zijn, ze zijn voor U.
|
|
|
 |
 gedicht: de onzichtbare
Taal/Gedicht | carel scharten
|
30 November 2006 | 20:52:12
 |
DE ONZICHTBARE
Ik wil tasten den Boom, die in den nacht
Verrijst van de wazige aarde ...
Ik zie hem niet; ik zie de duizend bloesems lichten
Flonkerend op de winde-zuchten,
Die fluisteren door de koude, zwarte gaarde.
Ik wil áánraken den duisteren Boom,
Die stijgt uit de wereld, en den hemel
Vult met zijn zachte takken-gewemel,--
Ik wil grijpen den tronk en schudden dit wonder,
Opdat ik wierd bedolven onder
Die bloemen van lucht en van goud, een droom
Van hemelsch vuur in glinsterend sneeuwen ...
Maar die Boom, hij is ver in de verten der eeuwen ...
Mijn handen strekken zich in 't ledig waar hij leeft!
De tintlende starren, zij vallen niet,
Lachende neder uit den hooge
Naar dit kind, het eeuwig bedrogen
Menschkind dat streeft
En tast en niet ziet,
Verlángt, en lacht 't Verlangen aan,
zijn tranen-ruischende Schoonheid.
|
|
|
 |
 gedicht: mei-avond in den jardin du luxembourg
Taal/Gedicht | carel scharten
|
30 November 2006 | 20:51:03
 |
MEI-AVOND IN DEN JARDIN DU LUXEMBOURG
De meidoorns staan met hun beschroomde rood
zoo teeder
te blozen,
en d' avond, bleek van liefde en zedig bloot
koost weder
hun broze
en bruidelijke rood.
De mei-maand kwam, en alle kleuren minnen
den schemer
zoo zoel,
en uit der bloemen innig-teêrste binnen
daar zwemen
Zoo zwoel
de geuren tot de zinnen.
De rozen hangen open op de lucht,
aanhaal'ge
monden,
uit welker diepte 't zoet geheim verzucht
der zaal'ge
wonde
en zwijmelend genucht.
En gij, mijn Lief, gij glimlacht mij zoo lief
uw teêr-
-heid toe!
Maar onze erinn'ring krenkt die ééne grief
en zeer
en moe
laat ons die schaam'le dief.
Door dezen tuin van lust en schemer staren
den nacht
wij in
En in onze eenheid nochtans eenzaam, sparen
wij lach
en min
en garen ons den weemoed....
1904 |
|
|
 |
 gedicht: het schoone sterven
Taal/Gedicht | carel scharten
|
30 November 2006 | 16:28:43
 |
HET SCHOONE STERVEN
Als in de stemm'ge stad het herfst-tij weeft
Zijn gouden waas over de oude grachten
En onder 't gulden loof een stemming zweeft
van sterven in deze oude en gouden prachten,--
Dan denk ik, hoe 'k den dood graag zoude wachten
Gelijk een herfstdraad die in 't goud-licht beeft
En henenzweeft in de eerste koude nachten
waarin alleen één zilvren stemklank leeft:
De stem, die in de hooge eenzaamheden
Zingt en weerklinkt en zingend meet den Tijd
En aan den hemel aarde's Schijn doet hooren,
Terwijl de ziel, in 't eeuwig Zijn verloren,
Het torenlied een laatsten glimlach wijdt
En lichtende verglijdt in 't tijdloos Eden.
Utrecht 1916
|
|
|
 |
 gedicht: de blinde dichter
Taal/Gedicht | carel scharten
|
30 November 2006 | 16:27:51
 |
DE BLINDE DICHTER
_Aan W.L. Penning Jr. op zijn zeventigsten jaardag,
10 November 1910._
Altijd zal ik uw blinde beeld bewaren,
Jeugdige grijsaard, die mijn oude jeugd
Met uwe teng're sterkte hebt verheugd
En met uw rust mijne onrust deedt bedaren.
Een fijne blos verjongde uw strakke kaak,
Uw maag're roode hand koelde in de mijne;
Toen, frisch als blos en vingerdruk, ging schijnen
't Licht uwer vroolijke en vrome spraak.
Wij zaten, vreemden, en alleen zaagt gij
Mijn stem, die schromend tot u uit kwam breken;
Maar 't gloorde als een herkennen door ons spreken
En, o schoone ochtend! vrienden, scheidden wij!
Doch 't allerschoonst zal mij d'erinn'ring blijven,
Hoe, blinde, gij mij vóórgingt naar beneên,
De armen los neerhangend langs u heen,
Geheven 't blinde hoofd, rechtop van lijve!
Zoo schreedt gij onbezorgd de steilte omlaag,
Gansch aarzelloos en zonder steun noch tasten.
Zoo schrijdt uw ziel met hare zware lasten
Stil door den schemer tot de laatste Vraag.
Gij scheent m'een Wonder, oude, blinde Vriend,
Als die het vuur doorwaadden zonder vreezen,
Naar wij het in de Heilge Boeken lezen;
Gij waart m'een Teeken: ík was blind, gíj ziend!
Zóó worde uw beeld een voor-beeld den vervaarden,
Die, ziende, deinzen voor huns levens graf:--
De blinde Dichter, gaand de treden af
Met kalm gelaat, waarlangs het zonlicht klaarde ...
|
|
|
|
|
|